Afgelopen dagen in Maastricht - bij Oswald - doorgebracht. Dat is natuurlijk geen straf en het was reuze gezellig, alleen het weer werkte deze keer niet echt mee... regen, regen, regen.Vandaar en vanwege het feit dat Oswald vrijwilliger is bij La Lumière (het Maastrichtse filmhuis) op maandagavond maar een film gepakt - een goede deze keer - die erg rauw is en tot nadenken stemt. In dit geval is het overigens wel handig om even het verhaal te kennen...
Het ruige en onherbergzame gebied op de grens van Texas en Mexico is geen land voor oude mannen, jonge mannen kunnen zich daar al nauwelijks staande houden, en vrouwen komen er helemaal niet aan te pas. In No Country For Old Men van Joel en Ethan Coen speelt dit landschap een hoofdrol. Maar de natuur is veel minder gestileerd in beeld gebracht dan in eerdere films van de Coens en hun vaste cameraman Roger Deakins. De woestijn heeft geen opsmuk nodig.
Dit landschap, onder een moordende zon, is een geschikte plaats om een besef te ontwikkelen van de futiliteit van iedere menselijke inspanning. Daarmee worstelt de Texaanse sheriff op leeftijd, Ed Tom Bell (Tommy Lee Jones). Zijn fraaie monologen in de melancholieke voice over zijn rechtstreeks afkomstig uit de gelijknamige roman van Cormac McCarthy.
Tijdens zijn loopbaan heeft de sheriff altijd zonder al te veel inspanning de orde weten te handhaven. Maar in de herfst van zijn leven wordt hij geconfronteerd met een radicaal nieuw kwaad, waar hij geen raad mee weet. Dat kwaad verschijnt in de persoon van de mysterieuze Anton Chigurh (Javier Bardem).
In de eerste scènes zien we hem achtereenvolgens een hulpsheriff wurgen met zijn handboeien, en een willekeurige automobilist executeren met een schietapparaat aan een hogedruktank, dat je eerder in het slachthuis zou verwachten.
Waar komt zulk radicaal kwaad vandaan? Eerst neigt de sheriff naar cultuurpessimisme; hij beklaagt zich over de jeugd die tegenwoordig – de film speelt zich af in 1980 – geen fatsoenlijke opvoeding meer krijgt, en de drugshandel die het grensgebied tot een war zone heeft gemaakt. Maar hij is ook gevoelig voor een metafysische verklaring. Hij is geen religieus mens, zo peinst hij in een passage in de roman die de film niet heeft gehaald, maar misschien moet hij constateren dat de duivel wel degelijk bestaat.
Anton Chigurh, een bad guy van mythische proporties, geeft alle aanleiding tot zulke theologische speculaties. Chigurh blijft volstrekt onaangedaan bij zijn moordpartijen, zelfs als hij ernstig gewond raakt. In de hele film is hij niet meer dan een schim, een vreemdeling met een naam die bijna niet valt uit te spreken en die ironisch genoeg klinkt als ‘Sugar’. Zijn motieven blijven even raadselachtig: hij doodt niet alleen voor het geld, of omdat hij er sadistisch genoegen aan beleeft. Hij beschouwt zichzelf als een voertuig van het noodlot, legt hij uit. Alles is voorbestemd. Tegelijkertijd laat hij tot twee keer toe een slachtoffer een muntje opgooien, dat over leven of dood zal beschikken.
Is Chigurh wel een mens? Het kwaad heeft in No Country For Old Men geen eigen identiteit, maar bestaat juist uit het ontbreken van iedere (menselijke) eigenschap. Dat zie je in Chigurhs lege ogen en hoor je in zijn uitdrukkingsloze, diepe stem. Het moet wel raar lopen wil Bardem voor dit weergaloze portret van een psychopaat niet de bijrol-Oscar krijgen, waarvoor hij is genomineerd.
Chigurh maakt jacht op Llewelyn Moss (Josh Brolin), een lasser en Vietnamveteraan, die in de woestijn bij toeval stuit op de dode lichamen van een Mexicaanse drugsbende en een koffertje met twee miljoen dollar. Hij neemt het koffertje mee, maar besluit die nacht terug te gaan om water te brengen aan de enige man die nog in leven was. Dat is heel onverstandig en hij weet het: „I’m fixin’ to do something dumber than hell”, zegt hij tegen zijn vrouw. De Coens hebben zich in hun films vaak vrolijk gemaakt over kleine krabbelaars, die zich stuntelend op het pad van de misdaad begeven. Maar Brolin staat zo’n neerbuigende houding tegenover zijn personage niet toe door zijn sterke spel.
Llewelyn is evenzeer een fatalist als de sherrif en Chigurh, met wie hij een moeilijke naam deelt. Dat is geen veelbelovende levenshouding voor de held van een avontuur. Die moet immers iets doen. Maar laat drie verschillende soorten fatalisme op elkaar botsen en je hebt een film. Een heel goede zelfs.
Het Amerikaanse zelfonderzoek na de aanslagen van 11 september 2001 heeft tot nu toe twee soorten films opgeleverd: de directe en de indirecte. Films als In the Valley of Elah (meesterlijk) en Lions for Lambs (mislukt) stellen het onderwerp rechtstreeks aan de orde. There Will Be Blood van Paul Thomas Anderson en No Country For Old Men doen dat via een omweg. Niet toevallig zijn beide films moderne westerns – bij uitstek het filmgenre waarmee de Amerikanen hun temperatuur opnemen.
In hun recente films leken de Coens zich te verliezen in een spiegelpaleis van films die alleen nog naar andere films verwijzen, en daarmee net zo irrelevant te worden als Quentin Tarantino. In No Country For Old Men slaan ze nieuwe wegen in: dit is hun eerste echte boekverfilming, de acteurs zijn grotendeels nieuw voor hen, de stijl is realistischer en de ironie beter gedoseerd. Dat heeft een film opgeleverd waar niemand om heen kan. En die zijn zeldzaam.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten